Home
Paul Bril, Gezicht op het Campo Vaccino met veemarkt, 1600

Paul Bril, Gezicht op het Campo Vaccino met veemarkt, 1600

Naar Italië; de Italianisanten, de Bentvueghels en de Bamboccianten

Rome was het centrum van de beschaafde wereld en kunstenaars uit alle delen van Europa gingen naar de eeuwige stad toe om tijdens deze ‘Groote Tour’ de kunst van de oudheid, de renaissance en de grande maniera, de stijl van de Florentijnse en Romeinse hoog-renaissance en Caravaggio te bestuderen. Karel van Mander raadde in zijn Schilder-boeck uit 1604 aan om dit dan ook vooral te gaan doen. Deze kunstenaars keerden terug naar hun vaderland vol met verhalen over de ‘laatste bewegingen’ en hun voorkeuren voor de ene of andere concurrerende school van Rome.[1] De grootste onder deze kunstenaars ontwikkelden hieruit hun eigen persoonlijke opvattingen. Twee uiteenlopende en blijkbaar onverenigbare stromingen beheersten toentertijd de artistieke tendensen in Rome, het naturalisme van Caravaggio en het idealisme van de School van Carracci. Beide onverenigbare stromingen werden vaak ook door dezelfde kunstenaars bewonderd.[2] Het discussiëren over kunst is iets relatiefs nieuw in deze tijd maar in de zestiende eeuw discussieerde men al wel over kwesties als: staat schilderen hoger dan beeldhouwen, is de tekening belangrijker dan de kleur of omgekeerd.[3] Annibale Carracci (1560-1609) wordt volgens zijn eerste biograaf, de kunsttheoreticus Giovanni Pietro Bellori (1613-1696), gezien als de kunstenaar die de schilderkunst gered heeft van het maniërisme, een term die vanaf dat moment zijn negatieve betekenis kreeg.[4] Carracci wilde weer de eenvoud en de klassieke schoonheid, zoals aanwezig in Rafaëls werken, terug krijgen in de schilderkunst. Dit in plaats van er opzettelijk tegenin te gaan zoals de manieristen deden, zijn stijl daarentegen is wel typisch classicistische barok. De schildersfamilie Carracci bestond uit twee broers en een neef en waren onvermoeibare tekenaars o.a. hun snelle krabbels van het belachelijk maken van personen leidde tot de eerste karikaturen, de benaming is dan ook van hun.

Annibale Carracci, karikatuur, 1595

Annibale Carracci, karikatuur, 1595

Rond 1580 organiseerden de Carracci familie kunstenaarsbijeenkomsten in Bologna, de zogenaamde Academie der Ingewijden, dit bood kunstenaars de gelegenheid om vakproblemen te bespreken en zich te oefenen in het tekenen in een bedachtzame rustige omgeving, de voorloper van de kunstacademie zou je kunnen zeggen. Via dit soort academies kwamen schilders en beeldhouwers los van de beperkingen van de ambachtelijke vakgilden.[5] Annibale Carracci was geen theoreticus maar zijn werk werd gezien als het ideaal van de gerationaliseerde esthetische theorie en dit zal meer dan twee eeuwen lang de grondslag vormen voor alle academisch kunstonderwijs.[6] Buiten deze twee Italiaanse schilders was er nog een derde kunstenaar die zijn invloed liet gelden in het Rome aan het begin van de zeventiende eeuw, namelijk de Duitse kunstenaar Adam Elsheimer. Elsheimer werkte in de eeuwige stad van 1600 tot aan zijn dood in 1610 en schilderde vele poëtische landschappen op klein formaat, dit op een zeer perfectionistische manier. Elsheimer werd beïnvloed door het naturalisme en de lichtinval van Caravaggio maar benaderde dit met de instelling van een miniatuurschilder. Het heersende noordelijke landschap op de schilderijen van Elsheimer en zijn innovaties hierbij was later van invloed op het genre Hollandse landschapschilderkunst. Verder was Elsheimer een inspiratie bron voor de italianisanten maar vooral ook op de jonge Rubens, die zijn composities als het ware uitvergrote, weer wat later in de eeuw op Rembrandt o.a. in de zeer fijn gedetailleerde weergave van het chiaroscuro.

Adam Elsheimer, Vlucht naar Egypte, 1609

Adam Elsheimer, Vlucht naar Egypte, 1609

De ‘Groote Tour’ was voor vele Nederlandse schilders en tekenaars een kennismaking met de Italiaanse grootmeesters, de overblijfselen van oude antieke monumenten en de Italiaanse landschappen en lichtinvallen. Men bedreef zich in uiteenlopende genres, Nederlanders werden bijvoorbeeld de grondleggers van verschillende typen landschappen en topografische vedute (stadsgezicht of vergezicht). De eerste bekende Hollandse kunstenaar die naar Italië ging was Jan van Scorel en hij werd onder meer in 1522 als opvolger van Rafaël, conservator van de pauselijke verzamelingen onder de uit Utrecht afkomstige paus Adrianus VI. De leerling van Scorel, Maerten van Heemskerck, tekende vooral stadsgezichten, monumenten en ruines, beelden en reliëfs, afzonderlijke motieven als helmen, vazen en dieren, en enkele kopieën naar wanddecoraties.[7] Van Heemskerck verbleef van 1532 tot eind 1536 in Italië en zijn werk getuigt van een grote belangstelling voor de kunsten van de antieken.

Jan van Scorel, Maria Magdalena, 1530

Jan van Scorel, Maria Magdalena, 1530

Vaak werden dit soort studies later gebruikt in nieuw werk, of door andere kunstenaars gekopieerd en dienden ze dus als belangrijke voorbeelden voor kunstenaars die Italiaanse motieven in hun werk toepasten. De in de zeventiende eeuw vele gemaakte italianiserende tekeningen ‘naar het leven’ van landschappen, ruines en zelfs figuurstudies vormden een archief voor de kunstenaars en dienden steeds vaker als voorbeeld voor een andere tekening, een schilderij of een ets, dit kopiëren paste men ook toe met de tekeningen en etsen van andere kunstenaars. Maar er werd niet alleen ‘naar het leven’ getekend, er werden ook aan de fantasie ontsproten gebouwen met een klassieke inslag in landschappen geplaatst. Ook moeten er veel schilderijen en fresco’s van Italiaanse kunstenaars zijn gekopieerd maar ook de beelden uit zowel de antieken als uit de renaissance.

Matthijs Bril, Boog van Septimus Severus te Rome, 1601

Matthijs Bril, Boog van Septimus Severus te Rome, 1601

De fantasielandschapstekeningen van de gebroeders Bril vormden met regelmaat het voorbeeld voor andere kunstenaars in zowel techniek- als onderwerpkeuze. Paul Bril, geboren in 1553 vertrok al op jonge leeftijd naar Rome waar diens oudere broer Matthijs woonde en werkte. Matthijs schilderde ondermeer fresco’s in het Vaticaan en Paul zal later ook fresco’s gaan schilderen in Rome. Paul deelde de nieuwe opvattingen van Annibale Carracci en beide kunstenaars staan ook aan de basis van het italianiserende landschap.

In het eerste kwart van de zeventiende eeuw had zich in Rome een hecht broederschap van Nederlandse kunstenaars gevormd. Deze veelal Nederlandse tekenaars en schilders, eigenlijk alle Noord Europese kunstenaars die in de zeventiende eeuw naar Italië afreisden en daar een tijd werkten worden italianisanten genoemd. De zeventiende-eeuwse Nederlandse kunstenaar maakte in Italië vooral landschapstekeningen en zie hier ook de noordelijke traditie in landschapsschilderijen. De meeste van deze noordelijke kunstenaars verkeerden veelal in dezelfde positie, woonden vaak in dezelfde buurten en bezochten dezelfde locaties om te tekenen.

Cerasi kapel, Santa Maria del Popolo, Caravaggio, De bekering van Paulus, 1601, Carracci, Maria Hemelvaart, 1600-01, Caravaggio, De bekering van Paulus, 1601

Cerasi kapel, Santa Maria del Popolo, Caravaggio, De kruisiging van Petrus, 1601, Carracci, Maria Hemelvaart, 1600-01, Caravaggio, De bekering van Paulus, 1601

In Rome richtten deze italianisanten uit het noorden een soort corporatie op, de Bent. De naam van dit broederschap van Nederlandse en Vlaamse kunstenaars was de Bentvueghels en vaak woonachtig in de omgeving van parochies als de Santa Maria del Popolo en de San Lorenzo in Lucina. De Santa Maria del Popolo is een Augustijner kerk waar in één van de straalkapellen, de Cerasi kapel, zich aan weerszijden twee schilderijen van Caravaggio bevinden met in het midden een schilderij van Annibale Carracci. Het broederschap van de Bentvueghels is opgericht in 1623, duurde ongeveer 100 jaar en bestond o.a. uit kunstschilders, tekenaars, graveurs, beeldhouwers, edelsmeden maar ook dichters. Om in Italië te mogen werken als kunstenaar moest men zich inschrijven bij één van de bestaande beroepsorganisaties. De eerste Nederlandse kunstenaars kwamen veelal uit Utrecht, aangezien kunstenaar Abraham Bloemaert hier vanaf 1611 een Tekenschool leidde en de opleiding afgerond diende te worden met een reis naar Italië. Later zal vooral Antwerpen de belangrijkste stad van herkomst zijn.

Anoniem, Inwijding van een Bentveughel te Rome, circa1660

Anoniem, Inwijding van een Bentveughel te Rome, circa1660

Om bij de Bentvueghels te mogen horen was er een inwijdingsplechtigheid waar de wijn rijkelijk vloeide, hier kreeg men een bijnaam, de Bentnaam, vaak een cynische verwijzing naar een bijzondere eigenschap van de desbetreffende persoon en bracht men een wijnoffer bij het vermeende graf van Bacchus. Verder was er nog de groep de Bamboccianten genoemd naar de Bentnaam van Pieter van Laer, Il Bamboccio (de lappenpop) geboren in 1599 en hij vestigde zich in 1625 te Rome. Deze groep schilderde op kleine panelen en etste genrevoorstellingen van het alledaagse leven van de lagere klasse in Rome en daarbuiten met een typisch Nederland karakter. De groep was o.a. beïnvloed door het chiaroscuro van Caravaggio maar ook van diens onderwerp keuze en aandacht voor details. Men had succes in Rome met deze werken maar de artistieke theoretici waren vaak negatief over dit soort werken en vonden het een nederig genre.

De latere italianisanten tekenden vaak nog wel de Romeinse ruines, stadsgezichten en afzonderlijke monumenten, maar voor hun geschilderde landschappen en als achtergrond van hun genrescènes gaf men schilderachtige plaatsen met niet-monumentale bebouwing zoals boerderijen, herbergen, pleinen, binnenplaatsen en stadsmuren weer.[8] Omstreeks 1670 komt onder invloed van de italianisanten het geconstrueerde, classicistische, italianiserende landschap in zwang bij veel Europese kunstenaars.

Uiteindelijk maakten de meeste Nederlandse kunstenaars geen reis naar Italië, dit om uiteenlopende redenen, bijvoorbeeld omdat men zich bezig hield met typische Hollandse taferelen, of om persoonlijke redenen omdat men bijvoorbeeld getrouwd was, maar een enkeling daarentegen vestigde zich voorgoed in Italië en kwam er te overlijden. Ook het feit dat men in Nederland dicht bij de eigen cultuur voor een lokaal publiek werkte is van invloed geweest om niet naar Italië te gaan, zo is Rembrandt bijvoorbeeld ook nooit in Italië geweest, hij vond het tijdverlies en bovendien waren er volgens hem genoeg Italiaanse schilderijen in Nederland te zien.


[1] Gombrich, E.H., 2011, blz. 393

[2] Honour, H., Fleming, J., 1993, blz. 494

[3] Gombrich, E.H., 2011, blz. 390

[4] Honour, H., Fleming, J., 1993, blz. 496

[6] Honour, H., Fleming, J., 1993, blz. 496

[7] Schatborn, P., Verberne, J., 2001, blz. 11

[8] Schatborn, P., Verberne, J., 2001, blz. 14

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s