Home
Toneelrepetitie in de Haarlemse kamer De Wijngaerdtranken. Schilderij van Job van Berckheyde, die zelf lid van deze kamer was (tweede helft zeventiende eeuw).

Toneelrepetitie in de Haarlemse kamer De Wijngaerdtranken. Schilderij van Job van Berckheyde, die zelf lid van deze kamer was (tweede helft zeventiende eeuw).

De eerste Nederlandstalige kamers ontstonden in Vlaanderen onder Franse invloed uit kerkelijke of geestelijke broederschappen en pas na de val van Antwerpen (1585) begon de bloeiperiode van de rederijkerij in Nederland. Te kritische rederijkers uit de Zuidelijke Nederlanden trokken toen namelijk naar het noorden omdat zij in het zuiden door de Spaanse bezetters opgepakt of zelfs vermoord werden. Rederijkers waren amateur-dichters en voordrachtskunstenaars die zich in de late middeleeuwen gingen organiseren in verenigingen, zogenaamde gilden. De benaming van deze gezelschappen komt van het Franse rhétoriqueurs.

De belangrijkste literaire genres die de rederijkers beoefenden waren de spelen van zinne (allegorische spelen, waarin begrippen als de deugd, de zonde of de jeugd werden uitgebeeld), de esbattementen (komische spelen) en de refreinen (gedichten in strofen). Ze besteedden veel aandacht aan de vormgeving van hun teksten. Het ging er om wie binnen de gestelde grenzen de mogelijkheden van de taal het kunstigst wist te gebruiken om zijn boodschap over te dragen. De vormvastheid had een reden. Men ging er van uit dat God de orde in de schepping had aangebracht, van macroniveau (de kosmos, het heelal) tot op microniveau (het menselijk lichaam). De mens moest in de kunsten (zoals poëzie, muziek en architectuur) proberen deze goddelijke harmonie, deze perfecte verhoudingen te weerspiegelen in inhoud en vorm. Aandacht voor de vorm ging niet ten koste van inhoud, maar was daar juist een eerbetoon aan.[1]

Tegen het einde van de 15e eeuw hadden ze vooral in Vlaanderen een aanzienlijke culturele en maatschappelijke macht verworven, ze speelden een centrale rol in het literaire leven. Later volgden ook Brabant, Zeeland en Holland. Er werden onder andere dichterswedstrijden georganiseerd tussen de verschillende kamers waarbij de vorm van het gedicht onderworpen was aan de strenge regels.

Tijdens de zogenaamde ‘Landjuwelen’ gingen de verschillende rederijkerskamers met elkaar in verschillende onderdelen in competitie om uit te maken welke rederijkersgroep bijvoorbeeld het beste toneelstuk schreef en opvoerde. De organiserende kamer stuurde daartoe een kaart, zoals de uitnodiging werd genoemd, naar andere kamers met daarop de opdrachten en de te winnen prijzen.

Deze kamers beheersten de Nederlandstalige literatuur vanaf de 15e tot een stuk in de 16e eeuw. Bijna iedereen die zich met literatuur bezighield, was op de een of andere manier verbonden met een rederijkerskamer.[2][3]

De leden van de rederijkerskamers kwamen samen op besloten vergaderingen, waar ze toneelstukken repeteerden en refreinen voordroegen, maar ook discussieerden over actuele politieke en religieuze thema’s. Daarnaast traden ze ook geregeld op in de publieke sfeer: de rederijkers speelden een grote rol bij feesten en plechtige gebeurtenissen, zoals processies. De rederijkers verbeeldden middels toneelopvoeringen of tableaux vivants dan allerlei Bijbelse verhalen. Stadsbesturen zagen het belang in van de rederijkers, ze konden namelijk een rol spelen bij de propaganda voor de eigen stad. Tevens hield de stedelijke overheid het belang van de rederijkers voor het toerisme in de gaten. Toneelvoorstellingen en wedstrijden trokken veel mensen van buitenaf aan en dat was goed voor de nering en dus de belastingopbrengst.[4] De stadsbesturen deden dan ook hun best om rederijkers aan zich te binden door bijvoorbeeld stadsdichters aan te stellen.[5]

Na 1600 wisselden vooral de Hollandse kamers hun besloten karakter in voor meer openheid, ze keken met de blik van de burger naar de samenleving en vaak leverden ze felle kritiek op de overheid. Ze gingen mee in de denkbeelden van het humanisme. De relatie met de stadsbesturen verliep vanaf dat moment dan ook moeizamer .[6]

De rederijkerskamers werden als gilden bestuurd en waren vrijwel allemaal op een zelfde manier samengesteld. Aan het hoofd stond een prins of keizer. Vervolgens had men een of meerdere dekens, hoofdlieden, raadslieden of vaandrigs – de benaming verschilde per kamer. De bestuurders en de gewone leden legden een gelofte af waarin zij beloofden zich aan de voorgeschreven regelementen te houden. Indien men zich er niet aan hield, werd een boete uitgeschreven. [7]

Tot het bestuur behoorde ook vaak de factor, de artistieke leider, die toneelstukken en gedichten schreef, regisseerde en de gewone leden onderwees in de dichtkunst. Bij kleinere kamers had de factor vaak ook nog andere bestuurlijke taken.[8] Onder toezicht van de factor werkten de gewone leden. De broeders, zoals deze leden genoemd werden, waren vaak de acteurs in de spelen. Daarnaast hadden de kamers vaak een zot of een nar. De namen van de leden werden vaak niet bekend gemaakt; het kunstwerk was een gemeenschappelijk product van de betreffende rederijkerskamer en niet van één of enkele personen. Over het ledenbestand van de kamers valt dan ook weinig te zeggen. Over het algemeen is aan te nemen dat de rederijkerskamers gesloten, elitaire verenigingen waren, waarbij leden door hun rijkdom hun hobby min of meer als ‘vak’ konden uitoefenen. Toch waren er leden te vinden uit alle lagen van de bevolking. Pas toen in de Nederlanden het tijdperk van de Renaissance aanbrak, veranderen de opvattingen over de functie van het individu. De bekendere rederijkers schuwden niet meer hun naam of zinspreuk onder hun werk te vermelden.

Alle rederijkerskamers hebben een blazoen (een wapenschild) met een zinspreuk, vaak godsdienstig van karakter.[9][10][11]

Blazoen van de rederijkerskamer de Goudsbloem van Gouda: verheven retorica door wysheit triompheert, beneyn haer Catrine en naerstigheit floreert.

Blazoen van de rederijkerskamer de Goudsbloem van Gouda: verheven retorica door wysheit triompheert, beneyn haer Catrine en naerstigheit floreert.

De ruimtes waar rederijkers bijeen kwamen en speelden, verschilden van plaats tot plaats. De ene kamer bezat een prachtig gildehuis, de andere moest het doen met een bescheiden zoldertje. Vaak kreeg men vanuit de overheid een ruimte toegewezen in een van de openbare gebouwen. Men was meestal vrijgesteld van huur, of de plaatselijke overheid kwam de rederijkers tegemoet bij diverse kosten.[12]


[4] van Boheemen, F.C. en van der Heijden, TH.C.J.  – De Westlandse Rederijkerskamers in de 16e en 17e eeuw –  Rodipi, Amsterdam, 1985 – pag. 36

[7] van Boheemen, F.C. en van der Heijden, TH.C.J.  – De Westlandse Rederijkerskamers in de 16e en 17e eeuw –  Rodipi, Amsterdam, 1985 – pag. 16

[8] van Boheemen, F.C. en van der Heijden, TH.C.J.  – De Westlandse Rederijkerskamers in de 16e en 17e eeuw –  Rodipi, Amsterdam, 1985 – pag. 17

[9] van Boheemen, F.C. en van der Heijden, TH.C.J.  – De Westlandse Rederijkerskamers in de 16e en 17e eeuw –  Rodipi, Amsterdam, 1985 – pag. 20

[12] van Boheemen, F.C. en van der Heijden, TH.C.J.  – De Westlandse Rederijkerskamers in de 16e en 17e eeuw –  Rodipi, Amsterdam, 1985 – pag. 21

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s