Home

Descartes staat bekent als een alles ontziende rationalist. Hij was er van overtuigd, dat het verstand de enige zekere bron van kennis was. Zijn bekendste uitspraak is

“Je pense, donc je suis.” Ik denk dus ik besta. 1

Waarom Descartes belangrijk was

Het belang van Descartes voor de vooruitgang in het denken is onomstotelijk. In zijn geschriften is een zekere charme te vinden, maar zijn gedachtegoed is kil en laat je enigszins onthutst achter.
Hij schopte de stoel onder de bestaande wetenschap en religie uit, maar zette er een gammel prototype voor in de plaats. Voor de hedendaagse filosofie leiden zijn opvattingen en zijn methodologische twijfel niet tot de waarheid zoals hij die voor ogen had. Descartes is vooral belangrijk, omdat dat zijn gedachte de noodzaak creëerde om vanuit de conservatieve klassieke filosofie naar compromis te gaan zoeken. En is door zijn pleidooi voor de vrijheid van de filosofie tevens een pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting.

In de renaissance werden de verschillende ideeën over natuur, wetenschap, God en de mens flink op zijn kop gezet. Beetje bij beetje kwamen de filosofen erachter dat de aanvankelijk zo veilige gedachte, dat volgens de klassieke traditie de waarheid verborgen ligt in de geschiedenis onvoldoende bleek om het bestaan en de wereld te verklaren. Ofwel een natte krant was waar maar al te makkelijk gaten in geslagen kon worden.
Er was dan ook behoefte om die nieuwe ideeën in een nieuw gerodeerd filosofisch systeem onder te brengen. Descartes zag deze problemen. Om hem heen ontstond een nieuwe wereld met nieuwe middelen, gevolgd door nieuwe onderzoekmethodes. Hij had groot respect voor geleerden als Francis Bacon, Paracelus en Conrad Gesner, die verschillende pogingen deden om een alternatieve onderzoeksmethode te vinden, maar volgens Descartes bleef het een lappendeken, of zoals hij het zelf ooit noemde

“Een huis dat eindeloos verbouwd was.”
Zoals je door te veel reizen op den duur een vreemdeling wordt in je eigen land, zo word je ook, door te veel belang te stellen in wat vroeger gebeurde, nooit wijzer ten aanzien van wat er thans gebeurt.” 2

Descartes wordt gezien als een sleutel figuur, de grondlegger van een geheel nieuw onderzoeksysteem waarin de natuurfilosofie verklaart kon worden. De Cartesiaanse natuurwetenschap. Zonder zijn gedachtegoed had destijds de wetenschappelijke revolutie nooit kunnen plaats vinden.
Descartes was van mening dat voor de opbouw van een nieuwe wetenschap hij zijn rug moest keren naar de ‘traditionele schijnwerkelijkheden’ en blanco moest beginnen.
In zijn twee belangrijkste werken Discours de la méthode (Verhandeling over de methode) (1637) en Meditationes de prima philosophia, in qua Dei existentia et animae immortalitas demonstratur Meditaties over de eerste filosofie in welke het bestaan van God en de onsterflijke ziel worden bewezen (1641) doet hij onderzoek naar wat hij ‘zekere’ kennis noemde. Alles wat in een vraagstelling geplaatst kon worden, bestempelt hij als onzeker. In deze zoektocht maakt hij gebruik van een radicale, maar methodologische twijfel. Hij stelde dat de enige manier om tot waarheid te komen de manier van de rede was en het gezond verstand.

Kritiek

Een deel van zijn bekendheid heeft hij te danken aan dat hij een getalenteerd schrijver was. Met zijn vlotte pen richtte hij zich net zo goed tot de ‘gewone’ man als tot de leerling in de wijsbegeerte. Dit maakte zijn teksten goed leesbaar. Descartes was dan in zijn hart ook meer een ontdekkingsreiziger die zijn bevindingen met andere wilde delen.
Toch waren er niet uitsluitend positieve reacties. Er was veel kritiek op zijn manier van denken.

Rond 1649 vond zijn leer een weg naar de Nederlandse universiteiten van Leiden, Franeker, Utrecht, Harderwijk en Groningen. Hij werkte twintig jaar in de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden en dat was niet zonder slag of stoot.
De meeste kritiek kwam voornamelijk uit de theologische lobby en de conservatieve wetenschap. Deze waren vooral gericht op de gevolgen die zijn Cartesiaanse methode had voor het traditioneel christelijk geloof.

De eerst eerste berichten van onrust zijn te lezen in het boek Bevochten eendracht geschreven door Frijhoff. Willem en Spies. Marijke”Op 17 maart 1642 had de senaat een ‘judicium’ uitgevaardigd waarin de nieuwe filosofie als tegenstrijdig werd veroordeeld met de algemeen aanvaarde en als bijzonder schadelijk voor de theologie.” 3

Het duurde niet lang tot Leiden als tweede universiteit aangaf een verbod te leggen op de denkbeelden van Descartes. Interessant om te vermelden is echter ook de brief uit Groningen van een rector waarvan de naam mij onbekend is gebleven. Die schreef: “Dat hij ‘ofschoon volmondig de autoriteit van Aristoteles erkende, behield hij zich het recht voor nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek van de natuur aandachtig te volgen: ‘onze vrienden zijn Socrates, Plato, Aristoteles, de geleerden uit Coimbra, Suarez, Ramus, Descartes, maar de waarheid is een grotere vriend.” 4

Descartes beroept zich op de waarheidsregel en stelde vanaf dat punt vast dat we iets pas als waarheid mogen aannemen als we heel duidelijk en zeker weten dat het waar is. Deze mening en dus ook manier van denken vormt de basis die hij gebruikt om de eerste beginselen van de natuur wetenschap te funderen.

Wat de methode van Descartes dus zo speciaal maakt

We kunnen eigenlijk zeggen dat Descartes een bevinding heeft gedaan over hoe we ‘eerlijke’ bevindingen moeten doen. Het lijkt een simpele constatering, maar er zit veel meer achter en de wijze waarop het tot stand is gekomen toont de diepgang en de vernieuwing aan in zijn manier van redeneren. Om tot dit inzicht te komen volgen nu een aantal passages uit zijn geschriften:

Discours de la Méthode pour bien conduire sa raison, et chercher la vérité dans les sciences.
(Verhandeling over de methode om de rede op de juiste manier te leiden en de waarheid in de wetenschappen te zoeken.)
Ik weet niet of ik u moet bezighouden met de overpeinzingen waarmee ik daar begon; deze zijn namelijk zó abstract en zó ongewoon dat ze wellicht niet naar ieders smaak zullen zijn. Wil men nochtans in staat zijn te oordelen of de fundamenten die ik gekozen heb voldoende stevig zijn, dan ben ik eigenlijk wel gedwongen er iets over te zeggen. Ik had allang beseft dat men, bij het handelen, zich vaak moet houden aan meningen waarvan men weet dat ze onzeker zijn, hoewel men moet doen alsof ze ontwijfelbaar zijn, zoals hierboven gezegd is; maar omdat ik mij uitsluitend wilde wijden aan het zoeken van de waarheid, meende ik nu juist het tegenovergestelde te moeten doen en al datgene, waarin ik mij iets twijfelachtigs kon voorstellen als volstrekt onwaar te moeten verwerpen, teneinde na te gaan of daarna nog iets zou overblijven, waarvan ik mocht geloven dat het absoluut onbetwijfelbaar zou zijn. Zo besloot ik, omdat onze zintuigen ons soms bedriegen, te veronderstellen dat niets is zoals het ons door de zintuigen wordt voorgespiegeld. En omdat sommigen zich vergissen bij het redeneren, zelfs als het gaat om de meest eenvoudige meetkundige problemen, en fouten maken, en ik meende dat ook ik mij kon vergissen, verwierp ik – als onwaar – alle redeneringen die ik daarvóór als geldige bewijzen had beschouwd. En tenslotte, overwegend dat alle gedachten, die wij hebben als wij wakker zijn, ons op dezelfde wijze ook kunnen overkomen wanneer wij slapen, zonder dat er dan één bij is die waar kan zijn, nam ik het besluit, te doen alsof alles waarvan ik mij ooit bewust was geweest, niet meer waarheid bevatte dan wat ik op bedrieglijke wijze droom. Maar onmiddellijk daarop besefte ik dat, terwijl ik aldus wilde menen dat alles onwaar is, het noodzakelijk was dat ik die dat dacht, iets was. En beseffend dat deze waarheid: Ik denk dus ik ben zo sterk en zo zeker was dat zelfs de meest buitensporige veronderstellingen van de sceptici niet bij machte waren haar aan te tasten, meende ik dat ik haar zonder enig bezwaar kon beschouwen als het eerste uitgangspunt van de filosofie dat ik zocht.5
Descartes uit in dit eerst deel zijn twijfel over de methode van de klassieke filosofie, die door middel van het gebruik van de zintuigen tot de waarheid komt. Tegelijkertijd zet Descartes deze twijfels in om vervolgens, via de door hem bedachte methode, zijn eerst waarheid te kunnen vast stellen. “Terwijl ik aldus wilde menen dat alles onwaar is, het noodzakelijk was dat ik die dat dacht, iets was. En beseffend dat deze waarheid: Ik denk dus ik ben.” De twijfel die Descartes had, stelde hij als zo zeker dat het door geen enkel kritisch denken onderuit kon worden gehaald. Hierin komt ook naar voren wat we ons moeten voorstellen bij het zo genoemde filosofisch systeem wat Descartes handhaafde.
Wat hier nu zo speciaal in was is dat Descartes het archimedisch punt van waaruit alle kennis kan worden opgebouwd verlegd naar het subject. simpel gezegd: Het komt aan op de mens en zijn denken om de filosofie inhoud te geven. Een stelling die later de verlichting kenmerkt.
Toen ik mij vervolgens bezighield met de vraag wát ik was, en besefte dat ik kon doen alsof ik geen lichaam had, en dat de wereld niet bestond, en dat ik nergens was, maar dat ik daarom nog niet kon doen alsof ik zelf niet bestond; integendeel: ik begreep dat uit het feit dat ik aan alles kon twijfelen, op zeer evidente en zekere wijze volgde dat ik bestond – terwijl ik als ik alleen maar opgehouden zou zijn met denken, ook al zou alles wat ik ooit gedacht had waar geweest zijn, geen reden gehad zou hebben om aan te nemen dat ik bestaan had -; terwijl ik dat alles nu overwoog concludeerde ik dat ik een substantie was waarvan heel het wezen of de natuur slechts is dat ze denkt en die om te bestaan geen plaats nodig heeft, en niet afhankelijk is van enig stoffelijk ding. Dit ik, dat wil zeggen, de ziel, waardoor ik ben wat ik ben, is dus geheel van het lichaam onderscheiden en is zelfs gemakkelijker dan het lichaam te kennen. Zelfs als het lichaam niet zou bestaan, zou de ziel evengoed volledig zijn wat ze is.
Daarna stelde ik in het algemeen de vraag aan de orde wat er nodig is opdat een uitspraak waar en zeker is. Immers: sinds ik er zo juist één gevonden had waarvan ik wist dat ze waar en zeker was, meende ik, dat ik ook moest weten waaruit deze zekerheid bestond. Zo kwam ik tot de ontdekking dat er in de uitspraak: “ik denk, dus ik ben” niets anders te vinden is dat mij de zekerheid geeft dat ik de waarheid spreek, dan dat ik duidelijk inzie, dat men om te denken moet bestaan.
Ik concludeerde daaruit dat ik als algemene regel kon aannemen, dat wat wij helder en welonderscheiden kunnen denken, waar is. Het is echter niet eenvoudig om goed te weten wat wij welonderscheiden kunnen denken.6
Descartes vraagt zich op dit punt af of hij met diezelfde intuïtieve zekerheid nog andere dingen weet dan dat hij een denkend wezen is.
Vervolgens dacht ik weer na over het feit dat ik twijfelde en maakte daaruit op dat mijn bestaan niet volmaakt kon zijn: ik zag immers duidelijk in dat kennis een grotere volmaaktheid is dan twijfel. Ik ging na, hoe ik geleerd kon hebben te denken aan iets dat volmaakter is dan ikzelf, en op evidente wijze kwam ik tot de conclusie dat er iets moest zijn dat ook werkelijk volmaakter is dan ik. Wat nu de voorstellingen betreft die ik van allerlei andere dingen had buiten mijzelf, zoals van de hemel, de aarde, het licht, de warmte en duizend andere zaken, had ik niet zoveel moeite om te weten waar ze vandaan kwamen omdat ik daarin niets opmerkte waardoor ze mij superieur leken ten opzichte van mijzelf. Ik kon dus menen dat deze voorstellingen, als ze waar zouden zijn, van mijzelf afhankelijk waren, voorzover namelijk mijn wezen iets volmaakts zou hebben; en als ze niet waar zouden zijn, kon ik altijd menen dat ik ze aan het niets ontleende, dat wil zeggen, dat ze in mij zouden zijn voor zover ik niet volmaakt ben. Maar dezelfde redenering kon niet gelden met betrekking tot de voorstelling van een wezen dat volmaakter was dan ik. Het was immers duidelijk dat ik deze niet aan het niets ontleend kon hebben; en aangezien het niet minder ongerijmd is dat het meer volmaakte een gevolg is, of afhankelijk is van het minder volmaakte, dan dat iets uit niets zou kunnen voortkomen, kon ik deze voorstelling dus ook niet van mijzelf hebben. Er bleef dus slechts één mogelijkheid over, namelijk dat deze voorstelling in mij was voortgebracht door een wezen dat ook werkelijk volmaakter is dan ikzelf, ja zelfs één dat in zichzelf alle volmaaktheden bezit waarvan ik één of andere voorstelling zou kunnen hebben, dat wil dus zeggen, om het in één woord duidelijk te maken, door God. 7

Hij komt hier tot de conclusie dat hij ook een heldere, duidelijke voorstelling heeft van een volmaakt wezen. Die voorstelling heeft hij altijd al gehad. Dit noemt Descartes een aangeboren idee. Dit gegeven is in tegenspraak met Aristoteles en ook het Britse empirisme die van mening waren dat men alleen kennis kan verwerven doormiddel van zintuiglijke waarneming omdat Descartes al vast heeft gesteld dat hij zelf niet volmaakt zou zijn (“ik zag immers duidelijk in dat kennis een grotere volmaaktheid is dan twijfel.”) vindt hij het vanzelfsprekend dat een dergelijke voorstelling niet van hemzelf afkomstig is. Iets of iemand die onvolmaakt is kan onmogelijk een voorstelling hebben van iets wat wel volmaakt is. Daarvoor moet dat idee van een volmaakte wezen al bestaan hebben vanaf onze geboorten. Daarvoor, God bestaat!

Ik denk te kunnen stellen dat Descartes, eerst nog zo voorzichtig, hier een wat voorbarige conclusie maakt. Het is wel zo dat Descartes het gegeven van een God ook niet als concreet bewijs opvoert. Hij zegt enkel dat het waar is dat we een voorstelling van een volmaakt wezen hebben en dat in deze voorstelling besloten ligt dat een volmaakt wezen bestaat. Want als het niet bestaat zou het niet volmaakt zijn.

Ik kon daar nog aan toevoegen dat ik, aangezien ik immers weet had van enkele volmaaktheden die ik niet bezat, niet het enige wezen was dat existeert (ik gebruik hier als men het goed vindt, vrijelijk de terminologie van de schoolfilosofie) maar dat er noodzakelijkerwijs een ander wezen moest bestaan dat meer volmaakt is dan ik, waarvan ik afhankelijk ben, en waarvan alles afkomstig is dat ik bezit; want als ik alleen was geweest, onafhankelijk van al het andere, zodat ik het weinige waarin ik volmaakt ben, van mezelf gehad zou kunnen hebben, zou ik, op grond van dezelfde redenering al het overige waarvan ik wist dat ik het niet bezat, ook aan mijzelf hebben kunnen geven, en zo zelf oneindig, eeuwig, onveranderlijk, alwetend en almachtig kunnen zijn, kortom alle volmaaktheden kunnen bezitten die ik aan God kon toeschrijven. Want als men de redenering van zoëven doorvoert, behoef ik, om God te kennen (althans voor zover mij dat is toegestaan), van alles waarvan ik in mij een voorstelling aantref, slechts na te gaan of het een volmaaktheid is of niet om het te bezitten. Ik zou er immers zeker van kunnen zijn dat niets wat in enig opzicht onvolmaakt is, in hem kan zijn, maar al het andere wel. Zo begreep ik bij voorbeeld dat twijfel, onstandvastigheid, droefheid en dergelijke niet aan god konden worden toegeschreven aangezien ik zelf maar al te graag daarvan bevrijd zou zijn, maar verder had ik ook voorstellingen van allerlei waarneembare en lichamelijke dingen; want hoewel ik ervan uitging dat ik droomde en dat alles wat ik zag of mij voorstelde onwaar was, kon ik niet ontkennen dat de voorstellingen daarvan wel in mijn bewustzijn waren. Omdat ik echter reeds duidelijk had ingezien dat het wezen van het bewustzijn onderscheiden is van het wezen van het lichaam, en overwoog dat elk samengesteld zijn duidt op afhankelijkheid, en dat afhankelijkheid duidelijk een tekort is, maakte ik daaruit op, dat het voor God geen volmaaktheid kon zijn om uit twee verschillende naturen te zijn samengesteld en dus dat hij dat dan ook niet is; maar anderzijds dat als er lichamen bestonden of denkende wezens, of andere wezens die niet geheel volmaakt zijn, deze in hun bestaan afhankelijk moesten zijn van zijn macht, zodat ze geen moment zonder zijn bijstand zouden kunnen bestaan.
Vervolgens wilde ik nog andere waarheden opsporen en richtte mijn aandacht op datgene waarmee de meetkunde zich bezighoudt. Dit stelde ik mij voor als een continu lichaam, of een ruimte die onbepaald is uitgestrekt in lengte, breedte, en hoogte of diepte, en waaraan allerlei delen te onderscheiden zijn die verschillend van grootte en vorm kunnen zijn en op allerlei manieren bewogen en verplaatst kunnen worden – dit alles veronderstellen de meetkundigen immers in hun object. Vervolgens nam ik enkele van hun meest eenvoudige bewijzen door. En hoewel ik merkte dat die grote zekerheid die iedereen eraan toekent, slechts gebaseerd is op het feit dat hun bewijzen op inzichtelijke en evidente wijze tot stand komen volgens de regel die ik zoëven vermeld heb, merkte ik tevens op dat niets eraan mij de zekerheid gaf dat datgene waarop zij betrekking hebben ook werkelijk bestaat. Zo begreep ik bij voorbeeld zeer wel dat van elke veronderstelde driehoek de som der hoeken gelijk moet zijn aan die van twee rechte hoeken; maar niets daaraan garandeerde mij dat er ook werkelijk driehoeken bestaan. Onderzocht ik daarentegen andermaal de voorstelling die ik had van een volmaakt wezen, dan vond ik dat diens bestaan daarin op dezelfde wijze lag opgesloten, als in de voorstelling van een driehoek dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee rechte hoeken, of in die van een bol dat al zijn delen even ver verwijderd zijn van zijn middelpunt. Ja, de voorstelling van dit volmaakte wezen was op dit punt zelfs veel duidelijker. De zekerheid dat God, die immers dat volmaakte wezen is, is of existeert, is dus even groot als die van enigerlei wiskundig bewijs.8
Descartes is in zijn veronderstelling nu zo ver gekomen dat hij heeft vastgesteld dat hij bestaat omdat hij een denkend wezen is en dat er zoiets als een volmaakt wezen bestaat. Descartes is echter ook van mening dat al zou het zomaar kunnen zijn dat de stoffelijke wereld ons op veel gebieden bedriegt deze zelfde wereld ook eigenschappen heeft die wij kunnen beredeneren en dus dienen waargenomen te worden. Daarmee bedoeld hij natuurlijk de wiskundige verhoudingen waarin de stoffelijke wereld is waar te nemen en te beredeneren. Als onze rede iets overtuigend en duidelijk erkent, zoals het geval is met de mathematische verhoudingen van de stoffelijke wereld, dan is dat dus ook een feit. Want een volmaakte God houdt ons niet voor de gek.
Hier ontstaat een cirkelredenering. Enerzijds wordt het bestaan van God bewezen door het denken, wat de juiste manier van denken verondersteld. Anderzijds wordt de het bestaan van een buitenwereld enkel gestaafd door een bestaan van God terwijl die God er juist voor moet zorgen dat we juist denken.

De reden echter dat velen ervan overtuigd zijn, dat hij moeilijk te kennen is en zelfs ook dat de kennis van hun ziel niet gemakkelijk is, is dat hun gedachten nooit verder gaan dan het zintuiglijk waarneembare en dat zij zozeer gewoon zijn alles slechts in de vorm van beelden te denken – wat toch alleen maar kan als het om stoffelijke dingen gaat – dat alles waarbij dat niet mogelijk is, hun onbegrijpelijk voorkomt. Dit blijkt overduidelijk uit het feit dat zelfs de filosofen, in de scholen, als stelregel hanteren dat er niets in het verstand is, dat niet eerst in de zintuigen was. Nochtans is het zeker dat de voorstellingen van God en van de Ziel nooit in de zintuigen zijn geweest. Het komt mij dan ook voor dat diegenen die deze begrippen als beelden zouden willen opvatten, doen als iemand die zijn ogen wil gebruiken om geluiden te horen of geuren te ruiken, waar nog bijkomt dat het oog niet de mindere is van de neus of van het oor als het erom gaat de waarheid van zijn object te garanderen, terwijl noch onze verbeeldingskracht, noch onze zintuigen ons ooit iets met zekerheid zouden kunnen leren zonder tussenkomst van het verstand.
Tot slot zou ik willen zeggen dat als er nog mensen zijn die door mijn redeneringen niet overtuigd zijn geraakt van het bestaan van God en van hun ziel, zij wel moeten bedenken dat al het andere waarvan zij wellicht veel zekerder denken te zijn, zoals dat ze een lichaam hebben, dat er sterren en een aarde bestaan en dergelijke, minder zeker is. Want hoewel er met betrekking tot deze zaken een praktische zekerheid bestaat die zodanig is dat men er in ernst niet aan kan twijfelen, kan men, als het gaat om metafysische zekerheid, zonder in dwaasheden te vervallen, evenmin ontkennen dat men om er niet volledig zeker van te zijn, slechts opgemerkt behoeft te hebben dat men zich in de slaap kan indenken dat men een ander lichaam heeft, en dat men andere sterren ziet of een andere aarde zonder dat er iets van waar is. Want hoe weet men dat de voorstellingen die zich in de droom voordoen minder waar zijn dan de andere? Vaak zijn ze immers niet minder levendig en duidelijk. Wat mij betreft mogen de knappe koppen er zoveel over nadenken als ze maar willen, maar ik geloof niet dat ze zonder het bestaan van god te veronderstellen één reden kunnen geven die voldoende is om deze twijfel weg te nemen. Om te beginnen is immers dat wat ik zoëven als uitgangspunt genomen heb, namelijk dat wat wij zeer helder en welomschreven kunnen denken waar is, slechts zeker omdat God bestaat, en hij een volmaakt wezen is, en omdat alles wat in ons is van hem komt, waaruit volgt dat onze ideeën of begrippen die immers bestaan, en dus van God komen, in al datgene waarin zij helder en welonderscheiden zijn, slechts waar kunnen zijn. Als we derhalve heel wat begrippen hebben die onwaarheid bevatten, dan kunnen deze slechts verward en duister zijn, omdat ze dan in dat opzicht aan het niets zijn ontleend. Anders gezegd: dit soort verwarde ideeën komt bij ons slechts voor, omdat wij niet geheel volmaakt zijn. Het is toch evident dat het niet minder ongerijmd is dat het onware en onvolmaakte als zodanig uit God zouden voortkomen dan om te veronderstellen dat het ware en het volmaakte uit het niets zouden voortkomen. Als we echter niet zouden weten dat alles wat er in ons aan waars en werkelijks is komt van een volmaakt en oneindig wezen, dan zouden wij – hoe helder en welonderscheiden onze voorstellingen ook zijn – geen enkele reden hebben er zeker van te zijn dat zij de volmaaktheid hebben dat ze waar zijn.
Welnu, als eenmaal de kennis van God en van onze ziel ons deze regel gewaarborgd heeft, is gemakkelijk in te zien waarom de droombeelden die wij in onze slaap hebben ons niet moeten doen twijfelen aan de waarheid van de voorstellingen die we hebben wanneer wij wakker zijn. Want ook al zouden wij in onze slaap een of andere zeer heldere en welonderscheiden voorstelling hebben, zoals bij voorbeeld een wiskundige in zijn droom een of ander nieuw bewijs zou kunnen uitvinden, dan nog zou het feit dat hij slaapt, aan de waarheid ervan niets afdoen.
Evenmin is het van belang dat de droom ons verschillende dingen op dezelfde wijze voorstelt als onze zintuigen dat doen wanneer wij waken – de meest voorkomende fout die wij in onze dromen maken zodat dat voor ons een reden is om aan de waarheid van deze voorstellingen te twijfelen: ook de zintuigen kunnen ons immers maar al te vaak bedriegen zonder dat wij slapen: zoals men bij geelzucht alles geel ziet of zoals de sterren of andere ver verwijderde lichamen veel kleiner lijken dan ze zijn. Want of we nu waken of slapen, we moeten ons uiteindelijk nooit door iets anders laten overtuigen dan door de rede. Het feit dat ik zeg ‘rede’ en niet ‘verbeelding’ of ‘zintuigen’ moet niet onopgemerkt blijven. Zo moeten we bij voorbeeld, ook al zien wij de zon zeer helder, daarom nog niet menen dat ze werkelijk zo groot is, als wij haar waarnemen; ook kunnen wij een zeer duidelijke voorstelling hebben van een leeuwenkop op een geitenlichaam, maar dat is geen reden om te concluderen dat er ook werkelijk chimaera’s (= spookbeelden) bestaan: de rede immers schrijft ons beslist niet voor dat wat wij zien of verbeelden ook werkelijkheid is. Wel schrijft ze ons voor dat al onze voorstellingen of begrippen enige grond van waarheid moeten bezitten: het is immers onmogelijk dat God die geheel volmaakt en waarachtig is, ze in ons gelegd zou hebben, als dat niet zo was. En omdat tijdens onze slaap onze redeneringen nooit zo evident en zo volledig zijn als wanneer we wakker zijn – hoewel de droombeelden vaak veel levendiger en scherper zijn – leert de rede ons ook dat aangezien niet al onze gedachten waar kunnen zijn – we zijn immers niet geheel volmaakt – datgene wat ze aan waarheid moeten bevatten, noodzakelijkerwijs eerder gevonden zal worden in die welke we hebben wanneer we wakker zijn dan in onze dromen. 9

Descartes maakt in de Methode al een aanzet naar het dualisme. Hij stelt vasts dat er twee verschillende vormen van werkelijkheid bestaan. of in filosofisch vakjargon te blijven twee substanties. De ene substantie is het denken, ofwel de ziel, de andere is de uitgebreidheid, ofwel de materie. Volgens Descartes zijn beide substanties afkomstig van God, want alleen God bestaat onafhankelijk van iets anders. Maar ook al zijn denken en uitgebreidheid is van God afkomstig. Er zijn dus eigenlijk drie substanties. Substantie één is God en daaruit voort ontstaan de substanties: het denken en de materie. Descartes kwam tot de conclusie dat de mens een dubbel wezen is, dat zowel denkt als plaats neemt in de ruimte. Als we naar de Meditatie kijken lezen we
Er is een groot verschil tussen het lichaam en de geest. Het lichaam is van nature altijd deelbaar, maar de geest is volstrekt ondeelbaar. Waneer ik mijn geest beschouw, dat wil zeggen mezelf voor zo ver ik enkel een denkend wezen ben, kan ik geen delen onderscheiden maar begrijp ik mezelf als een enkel geheel. En hoewel mijn geest verenigd schijnt te zijn met mijn lichaam. Is het niet te min zeker dat er niets van mijn geest wordt weggenomen wanneer een voet of een arm of enig ander lichaamsdeel van mijn lichaam gescheiden wordt. 10
De ziel is alleen maar bewust, die neemt geen plaats in de ruimte in en kan daarom ook niet in steeds kleinere delen worden opgesplitst. De materie daar in tegen alleen maar uitbreiding, ze neemt wel plaats in de ruimte en kan daarom wel worden opgesplitst in steeds kleinere delenmaar ze is niet bewust. het denken en de materie zijn geheel onafhankelijk van elkaar. Het denken staat los van de materie- en omgekeerd: de materiele processen opereren eveneens onafhankelijk van de gedachte. In deze gedachten is overigens ook de oorsprong van het subject/object denken te vinden. Na Descartes werd het bewustzijn van de mens als subject benoemt en alles wat het bewustzijn ervaart het object. Nu komen we bij een belangijkpunt. Descartes stelt dat de wereld dus wordt waargenomen in objecten die we kunnen delen en meten. Op dit vlak combineert hij mechanica gebaseerde natuurwetenschappen met filosofie. Dit zorgde voor een fundamentele vernieuwing, namelijk: Het experiment. Hiermee brengt Descartes zijn belangrijkste bijdrage aan de ontwikkelingen van het modern denken. .

En zo werd God zijn creatie in tweeën gesplitst.

1 Jorink. E, Wetenschap en wereldbeeld in de gouden eeuw, 1999. pag. 51
2 Jorink. E, Wetenschap en wereldbeeld in de Gouden Eeuw, 1999. pag. 51
3 Frijhoff. W en Marijke Spies, 1650 Bevochten eendracht, 1999. pag.281
4 Frijhoff. W en Marijke Spies, 1650 Bevochten eendracht, 1999. pag. 281
5t/m10 Verbeek Th, Discours de la méthode Nederlandse vertaling: Over de methode -inleiding over de methode: hoe men zijn verstand goed kan gebruiken en de waarheid achterhalen in de wetenschappen, Site niet meer online

Voetnoten
Jorink. E, Wetenschap en wereldbeeld in de Gouden Eeuw, 1999
Ruffing. R, Filosofisch gereedschap, 2008
Frijhoff. W en Marijke Spies, 1650 Bevochten eendracht, 1999
Bartels. J, Spinoza over vrijheid, http://www.filosofie-oostwest.nl. Site laatst bezocht op 27-04-2013

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s