Home
Technische vernuften & Visuele effecten T’Amsterdam

Inwijding van de Stadsschouwburg   T’Amsterdam. Dat was de titel van het toneelstukje   waarmee men de Amsterdamse Stadsschouwburg feestelijk opende op 26 mei 1665.  De aankondiging was als volgt:

[1] ‘Hier   toont men zee en strandt, omheint van steile bergen. Nu ziet gy tenten, die   een groote Stadt omringen. Hier toont de kunst een bosch daar ‘t zonlicht   nooit in straalt. Hier wordt u een gebouw, vol heerlijkheidt, vertoont.’

Dit   is nog maar het topje van de ijsberg wat betreft de snelle opeenvolging van   decors.  De schouwburgregent Jan Vos heeft   dit openingsstuk geschreven om zodoende alle mogelijk technische vernuften te   kunnen demonstreren aan het publiek. Er was namelijk sprake van   verschillende, zogenaamde toneelmachines en decors in de Stadsschouwburg, die   tijdens een ingrijpende verbouwing waren geïnstalleerd. De Schouwburg moest meekunnen   als theater met de Internationale top op het gebied van toneel. Zo moest ze   opboksen tegen theaters in Frankrijk en de nieuwe rage uit Italië: de opera’s.

Het   wat statische toneel van de opera maakte al vrij snel plaats voor een   dynamisch toneel met spectaculaire visuele effecten. [2] Giacomo Torelli (1608-1678) was de eerste gespecialiseerde   toneeldecorateur. Hij maakte zijn debuut met operadecors in Venetië. Hier   maakte hij gebruik van verschuifbare coulissen. Met behulp van kabels en een   centrale katrol kon één persoon het decor snel veranderen. Dit mag gerust een   zeer belangrijke ontwikkeling genoemd worden, omdat decorwisselingen altijd   bij open doek plaatsvonden. Zo werd het mogelijk voor acteurs om niet meer   voor een doek of decor te spelen maar er als het ware tussenin. Dit nieuwe   coulissesysteem verspreidde zich vanuit Italië over de rest van Europa.

Met   de nieuwe toneelkunst kwamen ook de nieuwe spectaculaire visuele effecten   opzetten. Een woud werd nu niet meer vormgegeven middels wat takken en aarde   op het toneel, maar men probeerde alles zo realistisch mogelijk na te   bootsen. Dit deed men door op een schitterende wijze de decors te schilderen   in een zogenaamde eenheidsperspectief met een centraal verdwijnpunt. Verder   maakte men gebruik van verlichting, rook, vuur en water waardoor men een illusionaire   wereld opriep.

Je   zou kunnen zeggen dat het decor en de toneelmachinerieën in het baroktheater   van de tweede helft van de zeventiende eeuw de hoofdrol kregen. Zelfs de   Schouwburg moest aangepast worden aan de moderne smaak omdat het simpelweg   niet meer voldeed. De verbouwing, waarvan Jan Vos de mede-initiator was, werd   in korte tijd geheel uitgevoerd. De regenten van de Schouwburg [3] verzochten de architect Philips   Vingboons in november 1663 een ontwerp te maken voor het nieuwe theater.   In 1664 begon men met de verbouwing en binnen een jaar was de ‘nieuwe’   Schouwburg klaar.

[4] In de   lengte van een hoefijzervormige zaal werd een diep toneel gebouwd, dat nu   voor het eerst door een toneelboog van de zaal was gescheiden: een zogenaamd   ‘lijsttoneel’. Trots kondigde Schouwburghoofd en stadsbeschrijver Tobias van   Domselaar aan dat dit nieuwe toneel aldus zou worden ingericht:

‘na   d’ltaliaanze manier als men nu te Venetien gebruykt, met alle bedenkkelijke   (denkbare) en schiellijkke veranderingen van Perspectiven of inzichten, en   Vliegende Werkken, die men Machines noemt op dat d’aanschouwers alle   omstandigheden van de plaatzen der speelen. als Paleyzen, Steden, Dorpen,   Zaten, Landtschappen, Hoven, Bossen, Rotzen, Bergen, Duynen, Stranden, Zeen,   Hemel, Hel, met hun behoorlijk [hierbij passend] gezwier, van allerley   Geesten, Dieren, Vogelen, Visschen, & Soo natuurlijk en als levendig,   benevens d’ actien en beweeglijkheden der Speelders, zullen konnen zien.’

Oftewel   een toneel met perspectivisch beschilderde zijschermen (coulissen) en   achterdoek. Dankzij een geweldig ingenieus systeem van kabels, katrollen en   gewichten was het zeer snel verwisselbaar. Naast nieuwe decoraties kreeg de   Schouwburg nog meer zogenaamde [31] ‘Sieraaden   van het Tooneel’. Hiermee bedoelde men uiteraard de visuele elementen die   het drama moesten opleuken: Stomme vertoningen (Tableaux vivants), en kunst-   en vliegwerken. Wanneer men het achterdoek wist op te trekken kwam er weer   een volgend doek ten tonelen. Het werd zo opgesteld dat alle vaste   decorelementen in verschillende variaties gebruikt konden worden. [5] Uniek was dat de coulissen in het   Amsterdamse theater niet evenwijdig aan elkaar stonden, maar schuin ten   opzichte van de toneelopening.

Wat   betreft de genoemde vliegwerken was er bijvoorbeeld door middel van  ‘verzinkluiken’, touwen en katrollen de   mogelijkheid om de acteurs tevoorschijn te toveren of door de lucht te laten zweven.   In het stuk de Gysbreght daalde de engel Rafael uit de hemel neer in wat je   een soort van lift, vermomd als wolk zou kunnen noemen, zie foto onderaan het artikel.

Tijdens   het neerlaten van de wolk, schoof het middengedeelte weg en werd Rafael   zichtbaar. Je zult begrijpen dat deze vorm van kunst-en vliegwerk, ook wel   deus ex machina* genaamd de toneelstukken een spectaculaire uitstraling gaf. [5] Hoewel er vanuit professionele hoek   veel kritiek op kwam – onder meer van het kunstgenootschap Nil Volentibus   Arduum – toch wist het grote publiek de nieuwe uitvindingen te waarderen.   Helaas is er vrij weinig bekend over de makers van de verschillende decorstukken.   Er zijn geen afbeeldingen en of contracten bewaard gebleven. Wel is vanaf   1680 bekend welke kunstenaars voor de Amsterdamse Schouwburg werkten. [6] Onder hen bevonden zich grote namen   als Gerard de Lairesse, Jacob de Witt en Cornelis Troost.

*   [6] Deus ex machina Lat. god uit de machine. Is een welbekende en gebruikte   term uit de dramaliteratuur. Hiermee gaf men aan dat er een hogere macht   (engel) optreedt, die door middel van een toestel zoals hierboven beschreven   op het toneel wordt gezet om een soort eindoordeel over de handeling uit te   spreken. De deus ex machina wordt vaak   gezien als een noodgreep van de auteur om aan het slot van het stuk alsnog   tot een aanvaardbare oplossing te komen, maar dit is in feite een   waardeoordeel dat sterk afhankelijk is van de tijd en de geldende opvattingen   over toneel.

 [1,3,4]http://www.digischool.nl/ckv2/burger/burger17de/toneel2/26%20mei%201665.htm. 02/18/2010 voor het laatst geupdate. Geraadpleegd op 15-3-2013

[2, 5] http://bundlr.com/b/de-regentes?order=inverse&view=grid. Geraadpleegd op 15-3-2013

[6] http://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_00776.php  Geraadpleegd op 25-3-2013

Lit: A. Spira, Untersuchungen zum Deus ex machina bei Sophokles und Euripides (1960) • K.R. Fösel, Der Deus ex machina in der Komödie (1975) • W. Nicolai, Euripides’ Dramen met rettendem Deus ex machina (1990)

 Het toestel waarin Rafaël neerdaalde s

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s