Home

De rederijkers verzamelden zich op reguliere basis om gedichten voor te dragen over een bepaald onderwerp. Ze besteedden veel aandacht aan de vormgeving van hun teksten. Het ging er om wie binnen de gestelde grenzen de mogelijkheden van de taal het kunstigst wist te gebruiken om zijn boodschap over te dragen. De vormvastheid had een reden: men ging er van uit dat God de orde in de schepping had aangebracht, van macroniveau (de kosmos, het heelal) tot op microniveau (het menselijk lichaam). De mens moest in de kunsten (zoals poëzie, muziek en architectuur) proberen deze goddelijke harmonie, deze perfecte verhoudingen te weerspiegelen in inhoud en vorm. Aandacht voor de vorm ging niet ten koste van inhoud, maar was daar juist een eerbetoon aan.[1]

Elke schrijver moest de regels van de verschillende literatuurvormen kennen. Deze vormen waren geordend van hoog naar laag. De moeilijkste en meeste eervolle vorm was het epos[2], een lang heldenverhaal op rijm.  Op de tweede plek stond het toneel, waarbinnen ook nog genres in verschillende moeilijkheidsgraden bestonden. Het hoogst stond de tragedie (treurspel), gevolgd door de pastorale [3](een luchtig toneelstuk met muziek en dans, over liefdesavonturen van herders), de komedie (een luchtig toneelstuk met veel misverstanden en goede afloop) en de klucht (een kort komisch toneelstuk).

Na het toneel kwam de lyriek [4](teksten op rijm). Binnen de lyriek zijn veel verschillende genres te onderscheiden, onder de moeilijkste genres zijn: het leerdicht [5](belerend en informatief gedicht), de ode [6](een lofzang), het sonnet [7](een gedicht van veertien regels met een wending in de inhoud) en het hofdicht [8](een lovende beschrijving van een buitenhuis en tuin).  Wat lagere vormen van lyriek waren het lied, het epigram[9] (een kort, kernachtig en vaak komisch gedicht) en het gelegenheidsgedicht (een gedicht bij een bepaalde gebeurtenis).

Op gelijke hoogte met de lyriek stond het embleem [10](een genre waarin beeld en woord gecombineerd worden). Het proza echter, kon alleen op waardering rekenen wanneer het informatief en belerend was. Hoe meer fictie, hoe minder goedkeuring de critici gaven. Fictie was dan weer wel populair bij het gewone publiek, zoals de roman. [11]

Aan het begin van de Gouden Eeuw, zo rond 1600, verschenen er op de Nederlandse boekenmarkt prachtig geïllustreerde boekjes over de liefde. Het ging om bundels met emblemen: prikkelende teksten en intrigerende afbeeldingen die de lezers spelenderwijs iets leerden over zaken als liefdesverdriet, huwelijkstrouw en partnerkeuze. Een voorbeeld van zo’n boekwerk is Emblemata amatoria van P.C. Hooft, waar ook bovenstaande afbeelding uitgenomen is. Een embleem bestaat uit drie karakteristieke onderdelen: motto [=opschrift] pictura, meervoud picturae [=afbeelding] subscriptio [=onderschrift] Het motto kon boven of onder de pictura staan, en soms zie je het ook wel om de afbeelding heengedrapeerd. De betekenis van het geheel wordt bepaald door de combinatie van de drie onderdelen. De nieuwsgierigheid van de lezer wordt vaak geprikkeld door het motto of de pictura. De subscriptio dient dan ter uitleg en verdieping.

Aan het begin van de Gouden Eeuw, zo rond 1600, verschenen er op de Nederlandse boekenmarkt prachtig geïllustreerde boekjes over de liefde.
Het ging om bundels met emblemen: prikkelende teksten en intrigerende afbeeldingen die de lezers spelenderwijs iets leerden over zaken als liefdesverdriet, huwelijkstrouw en partnerkeuze.
Een voorbeeld van zo’n boekwerk is Emblemata amatoria van P.C. Hooft, waar ook bovenstaande afbeelding uitgenomen is.
Een embleem bestaat uit drie karakteristieke onderdelen:
motto [=opschrift]
pictura, meervoud picturae [=afbeelding]
subscriptio [=onderschrift]
Het motto kon boven of onder de pictura staan, en soms zie je het ook wel om de afbeelding heengedrapeerd.
De betekenis van het geheel wordt bepaald door de combinatie van de drie onderdelen. De nieuwsgierigheid van de lezer wordt vaak geprikkeld door het motto of de pictura. De subscriptio dient dan ter uitleg en verdieping.

Bij het zoeken naar harmonie richtten de rederijkers zich voornamelijk op de herhaling van versregels en rijmklanken en op de volgorde van versregels en woorden. Zo is er het refrein[12], een gedicht van meerdere strofen waarbij aan het slot van iedere strofe dezelfde regel (de stokregel) herhaald wordt. De stok geeft ook de kern van het gedicht weer. De laatste strofe van het refrein wordt traditioneel gericht aan de Prins, de voorzitter van de rederijkerskamer. Naast de ballade[13] waren  ook andere vormen in trek, zoals het rondeel[14], het ketendicht[15] en het acrostichon[16].

 

Het rondeel is een wat moeilijkere dichtvorm met herhaling. Zoals de naam al aangeeft, loopt het rond en vormen de regels een cirkel. Een rondeel bestaat meestal uit acht regels waarvan de eerste twee ook de laatste twee zijn, en de eerste regel bovendien herhaalt wordt in de vierde.  Een voorbeeld van een rondeel is de vinden in Bredero’s Klucht van een koe (1612). Een domme boer steekt daarin een drakerig rondeel af, compleet met moeilijke en verhaspelde woorden:

Ik brengt u eens met discordatie,
en ik hoop, gij zultet wachten plaan,
al en is dit geen fraaie arguwatie.
Ik brengt u eens met discordatie,
ja, al maak ik weinig dispensatie,
so sult gij het annemen saan.
Ik brengt u eens met discordatie,
en ik hoop, gij zultet wachten plaan,
gij zijt mijn alderliefste graan.

 

Ook rijmvormen zijn in rederijkersliteratuur volop te vinden. Naast het gebruikelijke eindrijm is er ook kettingrijm (het laatste woord van een regel rijmt op het eerste woord van de volgende regel) en dubbelrijm (de laatste twee woorden van een regel rijmen op de laatste twee van de volgende regel). Het extreemst is het aldicht[17], waarbij alle woorden van een regel rijmen op alle woorden van de volgende regel. Met de rijm- en woordvolgorde wordt geëxperimenteerd in een retrograde[18]: zo’n gedicht kun je probleemloos van achter naar voren lezen.

Aandacht voor de volgorde van de versregels is er ook in het acrostichon, waarbij iedere versregel of iedere strofe begint met de letter van iemands naam (zoals het Wilhelmus).

Bij al die aandacht voor de structuur van poëzie is het opvallend dat rederijkers lang geen metrum gebruikten. Pas in de tweede helft van de zestiende eeuw gingen ze zich toeleggen op metrische verzen, vooral in sonnetten en liederen.


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s