Home

Het toneel was een grote concurrent van de kerk; ze hadden beiden een maatschappelijke functie, namelijk het scheppen en bewaren van de orde. De acteurs waren de spreekbuis van de auteurs, die zich via hen direct tot het publiek probeerden te richten. De auteurs hielden zich voornamelijk bezig met het menselijk functioneren binnen de wereldlijke orde, terwijl predikanten zorg droegen voor het zieleheil van zijn toehoorders.[1]

De literatuur in de zeventiende eeuw diende vooral ´ter lering en vermaak´. Naar het Latijnse voorschrift utile dulci, dat de Romeinse schrijver Horatius[2] in zijn Ars Poetica (de regels van de kunst, rond 20 voor Chr.) beschreven had. De dichtkunst moest overtuigen en daarom een zorgvuldige menging van het nuttige (utile) met het aangename (dulce) bieden.[3] De richtlijnen van Horatius zijn een goed voorbeeld van de renaissance: de cultuur van de oudheid herleefde en inspireerde schrijvers, schilders, musici en andere kunstenaars. Het uitgangspunt voor het maken van kunst was in die tijd echter anders dan nu. Het was niet de uitdaging om zelf thema’s en vormgeving te bedenken, maar om beroemde voorbeelden creatief na te volgen. Nabootsing was de grondregel van de kunst. Schrijvers konden dat doen door middel van translatio (vertalen), imitatio(creatief bewerken) of aemulatio(overtreffen)[4]. Daarnaast is er nog het contaminatio, het samensmelten van materiaal uit verschillende voorbeelden. Tegenwoordig zijn kunstenaars begrenst door copyright, maar in de renaissance was het juist een eer wanneer anderen een variatie op je werk maakten.[5]

Schrijven was in de zeventiende eeuw een hobby die erg serieus werd genomen. Een dichter diende een religieuze of politieke les op een vermakelijke en leerzame manier te verpakken, met boeiende voorbeelden. Het vermaak stond daarbij op de voorgrond, met aan het einde van het verhaal of toneelstuk een moraliserende opmerking. Deze structuur is vooral te vinden in blijspelen en kluchten, maar ook in genre-schilderijen zoals van Jan Steen zie je soms hetzelfde motto ‘ter lering en vermaak’ op een theatrale manier in beeld gebracht. De schilderkunst, vond men, was immers vergelijkbaar met de dichtkunst, omdat beide kunsten de natuur imiteren. Schilderijen waren als stomme poëzie en gedichten waren als sprekende schilderijen.[6]

Jan Steen, ‘Soo voer gesongen, soo na gepepen’, c.1668-1670 - Mauritshuis

Jan Steen, ‘Soo voer gesongen, soo na gepepen’, c.1668-1670 – Mauritshuis

 

Toneelschrijvers wezen er graag op dat zij het publiek een spiegel voorhielden, een spiegel van morele wetmatigheden, waarin deugd werd beloond en ondeugd gestraft. Ze hadden hiermee een didactische taak: door middel van hun spelen, hielden zij het publiek de normen voor juist sociaal gedrag voor.[7]

Iemand die een boerin een kus gaf, klaagde dat haar lange neus hem nogal in de weg stond. “Wel, mijnheer”, zei zij, “dan moet je mijn posterianus [achterwerk] kussen, daar heb ik geen neus”’. Grappen als deze waren in de Gouden Eeuw erg populair.[8] Net als tegenwoordig werd er in die tijd flink gelachen om seks, poep en pis, of om eigenaardige trekjes van mensen. Men meende, ook in die tijd, dat lachen en seks gezond waren: ze brachten het lichaam in evenwicht, verdreven depressies en hielpen verschillende tegenslagen te relativeren.  Lachen gold dan ook als een beproefd medicijn tegen depressies. Er bestond een uitgebreide verzameling aan moppen, die bepaald niet preuts waren. Een van de beste grappenmakers uit de Republiek der Verenigde Nederlanden was de Haagse advocaat Aernout van Overbeke (1632-1674). Overtuigd van de heilzame werking van de lach, legde hij een verzameling aan van bijna 2500 moppen en anekdotes, om te vertellen in gezelschap. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bezit de handgeschreven originelen, in vijf dikke bundels.[9]

In de Zuidelijke Nederlanden waren de Spaanse overheid en de katholieke kerk niet gecharmeerd van deze losbandigheid en hielden dan ook de openbare moraal goed onder de duim door de gedrukte boeken te censureren. Grappen die wel gedrukt mochten worden waren vooral levenslessen in de vorm van een grap over verkeerd gedrag. In de Noordelijke Nederlanden was de persvrijheid veel groter. Hoewel de calvinistische predikanten ook hier de, in hun ogen opruiende en zedenbedervende, boeken verboden probeerden te krijgen, lukte dit niet altijd.


[1] Smits-Veldt, Mieke B – Het Nederlandse Renaissancetoneel – HES Uitgevers, Utrecht 1991 – gevonden via http://www.dbnl.org/tekst/smit04nede02_01/colofon.htm

[3] Smits-Veldt, Mieke B – Het Nederlandse Renaissancetoneel – HES Uitgevers, Utrecht 1991 – gevonden via http://www.dbnl.org/tekst/smit04nede02_01/colofon.htm

[6] Westermann, Mariët – Steens komische fictie

[7] Smits-Veldt, Mieke B – Het Nederlandse Renaissancetoneel – HES Uitgevers, Utrecht 1991 – gevonden via http://www.dbnl.org/tekst/smit04nede02_01/colofon.htm

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s