Home
Joost van den Vondel door Cornelis Visscher, omstreeks 1628

Joost van den Vondel door Cornelis Visscher, omstreeks 1628

Tot de bekendste Nederlandse auteurs uit de zeventiende eeuw behoorde onder andere Joost van den Vondel (Keulen, 17 november 1587 – Amsterdam, 5 februari 1679). Vondel vluchtte in 1595 met zijn ouders naar Amsterdam in verband met de geloofsvervolgingen van de doopsgezinden. Zijn vader begon een hoeden- en kousenhandel en Vondel zette deze later voort. In 1606 wordt Vondel lid van de Brabantse rederijkerskamer ’t Wit Lavendel.[1] Omdat hij uit een eenvoudig milieu kwam, kreeg Vondel geen uitgebreide scholing. Vondels ideaal was een christelijk dichterschap te realiseren dat gebaseerd was op de klassieken en de Bijbel. Hij had daarvoor niet alleen kennis nodig van antieke en theologische geschriften, maar ook van eigentijdse schrijvers. Het feit dat hij geen klassieke opvoeding heeft gehad, vormde in die zin een serieuze belemmering voor zijn dichterschap. Vondel besloot daarom om zijn kennis bij te spijkeren. De Amsterdamse professor Vossius[2] gaf hem les in de kunsttheorieën van de Romein Horatius[3] en de Griek Aristoteles[4] en in 1613 begon Vondel met het leren van Latijn om de werken van de filosoof Seneca[5] te kunnen lezen. Later leerde hij ook Grieks en liet zich beïnvloeden door Sophocles[6] en Euripides[7].

 

In 1625 verscheen het toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheit.Dit stuk was bedoeld als hevige kritiek op prins Maurits, stadhouder van Amsterdam. Vondel was nauw betrokken bij de politieke en godsdienstige ontwikkelingen in de Republiek. Als tegenstander van prins Maurits schroomde hij dan ook niet Maurits voor landverrader uit te maken.[8] Deze boodschap verpakte hij in een allegorisch verhaal over de Trojaanse oorlog.[9] Vondel moest Amsterdam ontvluchten en voor het werk terecht staan. Hij kreeg een boete van 300 gulden.[10]

Vondel schreef veel en liet zijn mening duidelijk horen. Politieke en godsdienstige onderwerpen komen regelmatig in zijn werk voor. Zijn werk zorgde voor opschudding en werd soms zelfs verboden. Vondel trok zich echter nergens wat van aan. Hij was van mening dat kunst over normen en waarden moest gaan. Vondel wilde een Nederlandse literatuur die niet onder deed voor de Latijnse of Griekse en waarin de christelijke waarden op de voorgrond stonden. Rond 1640 bekeert Vondel zich tot het katholicisme. In Amsterdam hebben de Calvinistische predikanten veel invloed, maar de schouwburg is in katholieke handen en Vondels stukken worden er veelvuldig gespeeld.

Vondel beoefende bijna alle literaire genres die Nederland in de renaissance kende: emblemen[11], gedichten, liederen, toneelstukken en het epos[12](heldendicht). Vondel bleef naast lofdichten op personen die hij bewonderede ook altijd hekeldichten publiceren tegen de calvinistische predikanten en de politieke navolgers van Maurits. De term hekeldicht is een vrije Nederlandse vertaling van het Franse satire[13].  Satires bevatten meestal wel een kern van waarheid, maar de schrijver wil vooral zijn lezers overtuigen dat de aanvallen op zijn vijanden terecht zijn, en zal zijn gevoelens dan ook niet onder stoelen of banken steken.

Met zijn hekeldichten over de strijd tussen remonstranten[14] en contraremonstranten[15] heeft Vondel het beeld van de calvinistische predikanten in de zeventiende eeuw zodanig bepaald, dat we hen nu nog steeds door Vondels ogen bekijken. Dit zegt iets over Vondels meesterschap in dit genre, maar ook over de macht van de literatuur.[16] Gedichten als Geuse Vesper (1625), Rommel-pot van ‘t Hanekot (1627), en Roskam (1630) zijn hier voorbeelden van.[17]

Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt (1657), door Joost van den Vondel

Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt (1657), door Joost van den Vondel

Vondel schreef veel tragedies, maar liefst 26, en vertaalde er nog eens 8. Zijn beroemdste tragedies waren Gysbrecht van Aemstel(1637), die hij schreef voor de opening van de Amsterdamse schouwburg, en twee bijbelse verhalen: Lucifer (1653) en Jeptha (1659). Lucifer werd na twee opvoeringen verboden. Het verhaal over de opstandige engelen die God aanvielen speelde in de hemel en dat vond de calvinistische kerkenraad ontoelaatbaar. Jeptha, over de oudtestamentische rechter die zijn dochter doodde om zijn belofte aan God te houden, vond Vondel zelf zijn beste drama.

Door het vertalen van Griekse tragedies als Eurpides’ Elektra(1639) raakte Vondel meer en meer beïnvloed door de Griekse klassieken. Vondel kreeg nu ook meer oog voor de emotionerende werking van de strijdende hartstochten in het innerlijk van de hoofdpersonen en Aristoteles’ opvatting van de ideale nabootsing van een menselijke handeling en andere Aristotelische wetten  zijn steeds duidelijker zichtbaar in Vondels literatuur. Het morele aspect en de daarbij horende katharsis[18] (zuivering) worden bereikt door het opwekken van emoties als mededogen en angst.[19]

Dat veel mensen zijn werk moeilijk en saai vonden, en hij door zijn opvattingen niet bij iedereen geliefd was, kon hem niet zoveel schelen. Het ideaal van een grootse literatuur vond hij belangrijker. Op politiek en religieus gebied liet Vondel zijn idealisme blijken. Zijn maatschappelijke betrokkenheid en zijn capaciteit om algemene waarheden in zijn gedichten te leggen, hem geliefd bij veel van zijn tijdgenoten, ze noemden hem dan ook de ‘prins’ der dichters, met een verwijzing naar het Latijnse woord ‘princeps’: belangrijkste.[20][21]

Vondels Gysbreght is een klassieke tragedie en tegelijk een verzonnen historisch drama vanuit een religieus perspectief. Het oude Griekse verhaal over de oorlog tegen Troje en de inname van de stad met een houten paard heeft Vondel verplaatst naar het Amsterdam van 1304, dat door voorbijtrekkende troepen wordt geplunderd. Op kerstnacht breekt de vijand de belegering op. De Amsterdammers slepen een achtergelaten schip naar binnen (‘t Zeepaerd), waarin vijandige soldaten blijken te zitten. De stad wordt ten val gebracht, maar de engel Rafaël daalt uit de hemel neer en kondigt aan dat Amsterdam zal herrijzen als een machtige koopmansstad en een glorieuze toekomst tegemoet gaat. Het stuk laat de grote belangstelling voor het klassieke drama zien, en daarnaast is het een voorbeeld van hoe de stadsbestuurders de cultuur gebruikten als middel voor eigen propaganda, en de christelijke rechtvaardiging die men aan de handels-  en uitbreidingspolitiek wilde geven. De calvinistische kerkenraad vond dat het stuk teveel propaganda voor het katholicisme bevatte en wilde dan ook dat het stadsbestuur de voorstelling verbood. De opvoering werd een week uitgesteld en Vondel moest de katholieke scenes schrappen. In die tijd was het toneel een uitermate geschikt middel om ideeën te verspreiden. Stadsbesturen en predikanten hielden de theaterwereld dan ook zeer goed in de gaten.[22][23]

Naast de tragedies waarom hij beroemd is geworden, heeft Vondel zijn leven lang ook veel gelegenheidslyriek geschreven. Hij schreef veelal naar aanleiding van actuele gebeurtenissen en bij uitzonderlijke gelegenheden. Zo schreef hij een gedicht ter ere van de opening van het Paleis op de Dam: Inwydinge van ‘t Stadhuis t’Amsterdam (1655).[24] Het gedicht beslaat 44 bladzijden en Vondel beschrijft het gebouw als een bruid op haar trouwdag waar iedereen omheen danst; de Amsterdamse burgers, de Amstel en het IJ, de omringende steden en provincies en de sterren in de hemel. De stad Amsterdam, het stadhuis en het stadsbestuur worden in het gedicht beschreven als het midden van het heelal, een voorbeeld van volmaakte harmonie. [25]


[16] Bostoen, Karel  – Vondel contra Smout, de calvinistische predikant Adriaan Joriszoon Smout in Vondels hekeldichten – gevonden via http://www.dbnl.org/tekst/bost002vond01_01/bost002vond01_01_0001.php

[19] Smits-Veldt, Mieke B – Het Nederlandse Renaissancetoneel – HES Uitgevers, Utrecht 1991 – gevonden via http://www.dbnl.org/tekst/smit04nede02_01/colofon.htm – pag. 91-99

[21] van de Kamp. M.T. – Basisreader KUA Drama, ontwikkelingen in het drama vanaf de Middeleeuwen tot en met de tweede helft van de twintigste eeuw – 2011

[23] Smits-Veldt, Mieke B – Het Nederlandse Renaissancetoneel – HES Uitgevers, Utrecht 1991 – gevonden via http://www.dbnl.org/tekst/smit04nede02_01/colofon.htm – pag. 89-90

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s