Home
 Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618). Reproductie naar gravure. Het onderschrift luidt:     Gerbrand Adriaensz Brederode Amsteldammer     is gheboren in 't jaer 1535, den 16.en Maert,     ghestoruen den 23.en Aug.ti des Jaers 1618, op d'uer     zyns gheboortes, tusschen 9. ende 10 ueren 's voormiddaghs.

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618). Reproductie naar gravure. Het onderschrift luidt:
Gerbrand Adriaensz Brederode Amsteldammer
is gheboren in ‘t jaer 1535, den 16.en Maert,
ghestoruen den 23.en Aug.ti des Jaers 1618, op d’uer
zyns gheboortes, tusschen 9. ende 10 ueren ‘s voormiddaghs.

 

Gebrand Adriaensz Bredero (Amsterdam 16 maart 1585 – Amsterdam 23 augustus 1618) is een van de bekendste zeventiende-eeuwse dichters en toneelschrijvers die Nederland gekend heeft. Bredero had gestudeerd voor kunstschilder, als leerling van schilder Francesco Badens, en was belastingambtenaar en vaandrig van de schutterij. Hij begon al vroeg met schrijven, in 1610 verschijnt zijn eerste publicatie: een sonnet voor bevriende auteur Karel Quina. Quina was lid van het rederijkersgezelschap de Brabantse Kamer, evenals enkele andere vrienden van Bredero, zoals Colm en Vondel. Ondanks de vriendschap met die auteurs, koos Bredero niet voor het zelfde gezelschap: in 1611 wordt Bredero lid van de rederijkerskamer D’Eglentier. [1]Bij deze rederijkerskamer schrijft hij zijn bekendste werken, De klucht van de koe(1612) en De klucht van de molenaer (1613). Na een tijdje wilde hij echter meer bewegingsvrijheid en volgt hij zijn vrienden Pieter Cornelisz Hooft en Samuel Coster die in 1617 een nieuwe toneelvereniging/school oprichtten: De Nederduytsche Academie. Hier schrijft Bredero de bekende komedie Spaanschen Brabander.(1617)[2]

Bredero´s toneelwerk was nauw verbonden met de realiteit: hij situeerde veel van zijn werk in zijn eigen geboorte- en woonplaats Amsterdam. Bredero hield niet van hoogdravende taal en ingewikkelde constructies: zijn personages spraken normaal, volks Nederlands. Hij had een scherp oog voor het gedrag van zijn stadgenoten en kon hen prachtig typeren met verschillende soorten taalgebruik.[3][4] Bredero stond dan ook bekend om zijn geweldige karaktertekeningen. Een voorbeeld is te vinden in Bredero’s bewerking van Terentius’ Eunuchus, Moortje (1615): Bredero is hier niet uit op intrige, maar richt zich vooral op de uitwerking van afzonderlijke scenes en karakterbeschrijvingen. Bredero legde zich toe op een typische retorische aemulatio(overtreffing) [5] van zijn voorbeeld door het inlassen van talrijke, met het verhaal nauwelijks samenhangende beschrijvingen. Sommige van die uiteenzettingen hebben puur als doel de creativiteit van de auteur te tonen, terwijl van andere beschrijvingen een moraliserende werking moest uitgaan.[6] Niet alleen in de kluchten en treurspelen, maar ook in zijn poëzie streeft Bredero naar eenvoud en waarheidsgetrouwe weergaven. Ook kenmerkend voor werken van Bredero waren zijn vele kritische opmerkingen. In een rijmbrief aan zijn kamerbroeder, Jan Jacobszoom Visscher, waarin Bredero zich beklaagt over de verregaande wanorde en onderlinge ruzies binnen de kamer, veroorzaakt door ‘bengels woest, en grootse gecken’. Het betrof hier weinig ontwikkelde acteurs, die zelf niet in poëzie waren geïnteresseerd en ontevreden waren over hun rollen die ze toebedeeld kregen.[7] Een groot verschil tussen Bredero en schrijvers als Hooft en Vondel is dat hij niet politiek geëngageerd was. Hij legde wel duidelijk een relatie met de stad Amsterdam in zijn werk, maar die relaties steunden vooral op locaties en typetjes. Toespelingen op actuele bestuurlijke toestanden of misstanden maakte hij maar zeer zelden.[8]

Bredero’s verzamelde gedichten werden in 1622, vier jaar na zijn dood, uitgegeven door de Amsterdamse uitgever Cornelis Lodewijkszoon van der Plasse. De bundel kreeg de titel Groot lied-boeck en bevatte drie onderdelen: boertige (grappige), amoureuze (liefdes-) en aandachtige (godsdienstige) liederen. Van der Plasse heeft na Bredero’s dood zijn liederen gerangschikt per categorie. Dat deed hij niet omdat dat opeenvolgende fasen in Bredero’s leven waren, maar omdat liedboeken toen altijd uit drie delen bestonden.[9] Ook de Nederduytsche Rijmen of Poëmata zijn belangrijk: in dit verzamelwerk werden in 1632 verschillende brieven en gedichten van Bredero voor het eerst gepubliceerd.[10]


[6] Smits-Veldt, Mieke B – Het Nederlandse Renaissancetoneel – HES Uitgevers, Utrecht 1991 – gevonden via  http://www.dbnl.org/tekst/smit04nede02_01/colofon.htm – pag. 67 – 71

[7] Erenstein, R.L. e.a. – Een theatergeschiedenis der Nederlanden, tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen – Amsterdam University Press, Amsterdam, 1996 – pag. 158

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s