Home

David Hockney is geboren in 1937, Bradford, Yorkshire, in Engeland. Hij heeft een kleurrijke geschiedenis. Van oorsprong is hij schilder maar al gauw ging hij erbij fotograferen en in 1999 begon hij een groot onderzoek naar de schildertechnieken van de grote meesters.

Zijn schilderwerk had eerst een anekdotisch karakter maar ontwikkelde zich naar een meer realistischere schilderwijze.  Thema’s waar hij zich mee bezig hield waren zwembaden, portretten en landschappen. Hij verwerkte de foto’s in zijn schilderijen en maakte talrijke collages. Hierin is de stijl van het kubisme herkenbaar.

Het onderzoek dat David Hockney deed naar de schildertechnieken van de grote meesters is erg uitgebreid en goed onderbouwd. Hij startte dit onderzoek omdat hem was opgevallen dat er in sommige historische schilderijen een opmerkelijk ‘fotografische look’ aanwezig was.

De realistische weergave, de glans in glimmende objecten, de compositie, en  de nauwkeurigheid van details en stofuitdrukkingen vielen hem op en hielden hem bezig. In zijn boek ‘Geheime Kennis’, doet David Hockney uitgebreid verslag van zijn onderzoek en deze is ook in documentaire vorm uitgebracht door de BBC.

Omdat David Hockney zelf schilder was en tegen technische problemen aanliep ging hij opzoek naar antwoorden bij andere schilders. “Hoe deden zij dit?  Hoe waren zij in staat geweest hun omgeving zo realistisch en natuurgetrouw mogelijk te schilderen?” Bij het zoeken naar antwoorden deed hij steeds meer opvallende ontdekkingen. In zijn boek beschrijft hij welke stappen hij zette en levert hij zowel literair als visueel bewijs . Dit deel van het verslag is gebaseerd op zijn boek Geheime Kennis, de Nederlandse vertaling  van zijn boek Secret Knowledge.

De stelling die centraal staat is : “vanaf het begin van de 15e eeuw maakten veel kunstenaars in het westen gebruik van optische instrumenten- spiegels en lenzen (of een combinatie daarvan)- om projecties naar het leven tot stand te brengen. Sommige kunstenaars gebruikten deze geprojecteerde beelden rechtstreeks voor het maken van tekeningen en schilderijen en weldra kreeg deze nieuwe methode om de wereld af te beelden- deze nieuwe manier van waarnemen- een grote verspreiding.”  Hij voegde hieraan toe , “veel kunsthistorici hebben betoogd dat bepaalde schilders de camera obscura voor hun werk gebruikten- vooral Canaletto en Vermeer worden vaak opgevoerd- maar bij mijn weten heeft niemand geopperd dat optische instrumenten zo wijd en zijd en zo vroeg werden gebruikt als ik in dit boek probeer te bewijzen”. ₄

Het begon voor David Hockney allemaal met een expositie van Ingres’ portretten in de National Gallery ,te Londen. Daar werd hij getroffen door het feit dat zijn tekeningen erg klein maar heel accuraat geschilderd waren.  In 1999 experimenteerde David Hockney met de Camera Lucinda na de ingeving dat Ingres deze wel eens gebruikt zou kunnen hebben. De Camera Lucinda was toen nog maar net uitgevonden en Hockney had ondervonden dat het apparaat  niet gemakkelijk in het gebruik was.  Het beeld dat geprojecteerd wordt is alleen zichtbaar voor het oog van de kunstenaar. Op het moment dat je ook maar iets van standpunt verandert, verandert het beeld mee. Hockney bleef zijn vaardigheden met de Camera Lucinda verder ontwikkelden en leerde steeds weer nieuwe dingen bij. Hij ging meer aandacht besteden aan de belichtingen en het viel hem op dat kunstenaars als Caravaggio en Velázquez ook veel aandacht hieraan hadden besteed. Dit was o.a. te zien aan de diepe schaduwen die in portretten waren verwerkt.

Door zijn eigen ervaring met optische instrumenten keek hij op een andere manier naar schilderijen en vielen hem steeds meer optische kenmerken op. Hij maakte een muur van afdrukken van de meest bekende schilderijen en sorteerde deze op tijd en gebied. Hieruit kon hij opmaken dat er tot 1430 een bepaalde manier van schilderen was ontwikkeld maar dat daar vanaf 1430 een opmerkelijke verandering in kwam. Hij besprak zijn bevindingen met vrienden en werd voorgesteld aan Martin Kemp, hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de universiteit van Oxford en een autoriteit betreffende Leonardo Da Vinci en de relatie tussen kunst en wetenschap. Niet iedereen ondersteunde Hockney’s onderzoek.  “Hun hoofdbezwaar was dat het gebruik van optische instrumenten gebruikt door kunstenaars ‘bedrog’ zou zijn; dat ik hoe dan ook het aangeboren artistiek talent aantastte.” ₅  Gelukkig hield hij zich hierdoor niet weerhouden van zijn onderzoek. Hij zegt hierop:  “laat ik hier dan zeggen dat optische instrumenten geen schetsjes maken, alleen de hand van de kunstenaar kan dat doen en het vereist een grote bekwaamheid.”₆

Hij herhaalt meerdere keren in zijn boek dat het gebruik van optische instrumenten niks afdoet aan het talent wat schilders hadden. Dat optische objecten geen stofuitdrukking op doek zetten en ook geen schilderijen maken.

Door het verder experimenteren met lenzen en optische instrumenten kwam hij uit op de camera obscura, die het beeld projecteert op een wand of doek.  Deze methode bracht veel nieuwe mogelijkheden met zich mee.

Enkele optische kenmerken zijn bijvoorbeeld de glans van glimmende objecten en hoe ingewikkelde patronen de stof volgen.  Kleine details die haarscherp worden weergegeven en lijken allemaal even dichtbij ook al staan ze ‘verder weg ’in het schilderij.

Behalve de kunstenaars die de camera obscura zelf hebben gebruikt zijn er ook een aantal kunstenaars  geweest die het alleen het werk hebben gezien van kunstenaars die een camera obscura hebben gebruikt, en dit hebben gekopieerd. De Carravagisten zijn hier een voorbeeld van.

Voor onze presentatie hebben we een camera obscura gemaakt en zelf ervaren dat het inderdaad niet eenvoudig is haarscherp beeld op het juiste formaat te krijgen. Je moet beschikken over de juiste lenzen en het onderwerp moet sterk belicht zijn. Dan is het beeld indrukwekkend en zijn alle details goed zichtbaar. Anders dan een fotocamera projecteert een camera obscura  beeld en zelfs bewegend beeld.  Het beeld wordt niet opgeslagen en is het maar een tijdelijke verschijning.

Het gebruik van een optisch instrument heeft schilders geholpen beelden krachtig, intens en natuurgetrouw weer te geven maar dit was niet gelukt zonder het talent van de kunstenaar.

Tot slot wil ik afsluiten met 2 fragmenten uit documenten die in de 19e eeuw geschreven zijn.

George Adams was de instrumentenmaker van de Koning en  hij had zijn eigen catalogus. Deze catalogus ging over Optische, Filosofische, en Mathematische instrumenten die door George werden gemaakt en verkocht.  In het midden van de achttiende eeuw kon men draagbare camera obscura in een winkel kopen.

In een commentaar op optische projecties, in 1794 schreef hij het volgende:

“ U ziet wat een mooi en levendig beeld van alle objecten vóór het venster op het scherm wordt getoond. Dit mag met recht de schilderkunst der natuur worden genoemd. U ziet hier een perfect perspectief, of een juiste verkleining van objecten in evenredigheid met de afstand. De beelden zijn allemaal in proportie met de respectievelijke kennelijke groottes van de objecten die u met het oog kan zien door het gat in het venster. De kleur is hier goed en natuurlijk, licht en schaduw volmaakt juist, en de beweging van alle objecten is perfect uitgedrukt. De bladeren sidderen, de takken waaien, de vogels vliegen et cetera zoals in de natuur, hoewel veel sneller en op een kleiner toneel. Door de camera obscura kan de schilder zijn onvolkomenheden leren kennen; hij kan zien wat hij moet doen en weten wat hij niet kan uitvoeren.”₇

Étienne-Jean Delécluze 1851,

“Al gauw na de uitvinding van de fotografie zag de Franse schilder en criticus Delécluze de overeenkomsten tussen de daguerreotypieën en de werken van verschillende vroegere kunstenaars.

Schilderijen, opmerkelijk vanwege hun kwaliteit, klein van omvang en exact van gelijkenis, zullen naar mijn mening een ongebruikelijke tijd in de kunstgeschiedenis markeren: een periode waarin de komst van daguerreotypie een serieuze invloed had op de studies en voltooide werken van kunstenaars.

Toen Meissonier van start ging met een carrière als kunstenaar, werd het duidelijke talent dat hij vertoonde nooit in twijfel getrokken; maar het lijk evident dat het zien van de daguerreotypen hem materiaal voor overdenking verschafte, want het resultaat veranderde. Het leidde en vervolmaakte de wijze waarop hij natuur zag en imiteerde.

De daguerreotypie kwam met eerlijkheid en beetje brutale kracht ter wereld en had het effect van een verhaal dat de waarheid vertelt; het werd door allen zowel bewonderd als verguisd. Maar na de aanvankelijke verbazing en vlagen van woede, realiseerden nadenkende kunstenaars zich dat de voorstellingen geproduceerd met de daguerreotypie het bewijs waren  dat bepaalde kunstenaars als Bellini, Leonardo Da Vinci, Rafaël, Hans Holbein  en Ingres, gelijk hadden, maar die tot dan toe bekritiseerd waren voor het tekenen  van lijnen die te perfect  bepaald waren en voor een gebrek aan variatie in volume.

Ik zou werkelijk zeer verbaasd zijn geweest als Meissonier niet getroffen was geweest door de overeenkomst in het uiterlijk van de schilderijen van de mannen die ik net noemden en de resultaten, verkregen met het instrument dat is uitgevonden door de heer Daguerre.₈

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s