Home
Jan Steen, Adolf en Catharina Croeser aan de Oude Delft, 1655

Jan Steen, Adolf en Catharina Croeser aan de Oude Delft, 1655

De Nederlanden, kunst voor de burgerij

Inleiding

Er wordt onderscheid gemaakt tussen Vlaamse en Nederlandse schilderkunst omdat de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden in 1579 uiteen zijn gegaan en waarbij de Spaanse heersers van het katholieke zuidelijke deel de nieuwe Republiek der Nederlanden nog zestig jaar zouden bestrijden. Maar het ging in tegenstelling tot het Spaanse rijk op politiek en economisch gebied de Nederlanders voor de wind. Door de val van Antwerpen in 1585 verloren de Nederlanders de stad aan de Spanjaarden. Antwerpen was op dat moment de belangrijkste havenplaats in de Nederlanden maar door de val werd de Scheldemond afgesloten en verloor de stad haar maritieme positie aan Holland en Zeeland. De val van Antwerpen leidde ook tot een migratie van duizenden inwoners naar de Noordelijke Nederlanden zowel uit economische als uit religieuze overwegingen. Deze emigranten brachten industriële deskundigheid mee zoals de lakenindustrie, de boekdrukkunst, de cartografie, de handelskennis en maritieme vaardigheden. Door deze migratie is ook de vorming van het standaard Nederlands bespoedigd in het noorden, want ook literatoren en vele kunstenaars verhuisden naar het noorden zoals Karel van Mander en Frans Hals. Al deze gebeurtenissen en wendingen zullen gaan leiden tot wat wij de Gouden Eeuw van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zijn gaan noemen. Een wereldmacht, ontstaan door een grote economische, culturele en wetenschappelijke bloei.

Opdrachtgevers: vrije markt

De Hollandse schilderkunst in de zeventiende eeuw, gericht op handel en de daarmee in verband staande kunstverzameling en de smaak van de protestantse kooplieden, was heel anders dan in het katholieke zuidelijke deel, waar meer een overdadige pracht heerste. In het protestante noordelijke deel werden voornamelijk kleine schilderijen vervaardigd met onderwerpen die voorheen niet voorkwamen in het programma van de paleisdecoratie, dit had er mede mee te maken dat de politiek in de Republiek geen absolutistische trekjes vertoonde. De smaak van strenge eenvoud voortgekomen bij het scheppen van een nationaal zelfbeeld uit de strijd met de Spanjaarden en het water.[1] Ongeveer vanaf 1610 ontstond er in Nederland de allereerste kunstmarkt van Europa voor massaconsumptie, deze was dan vooral geconcentreerd in de snel groeiende steden als Haarlem en Amsterdam. Dit nieuw grotestadspubliek, bestaande uit de maatschappelijke bovenlaag van bankiers, kooplieden, scheepsmagnaten en fabrikanten hadden genoeg geld om ezelschilderijen aan de muren van hun huizen te hangen. Onder hun beschermschap bloeide de wereldlijke schilderkunst in Nederland en ontwikkelden zich gaandeweg steeds meer speciale genres en onderverdelingen van genres naar de smaak van het publiek. In het concurrerend klimaat van de Hollandse kunstwereld werd veel waarde gehecht aan individualiteit en innovatie, met als gevolg dat de faam van schilders snel steeg en taande,[2] en raakte de schilderstijl uit de mode dan kon dat dakloos zijn tot gevolg hebben. Misschien daarom wel hadden veel schilders naast hun kunstenaarschap ook andere inkomsten of beroepen. Volgens sommige schattingen zijn er vanaf het ontstaan van de Republiek der Nederlanden in 1579 tot de overheersing door de Fransen in 1795 tussen de acht en negen miljoen schilderijen vervaardigd, waarvan het grootste deel hiervan in de zeventiende eeuw is ontstaan. Deze werken waren bedoeld voor de verzameling van de particuliere kunstliefhebber: de burger, de smid, de slager en de bakker; waarvan de huizen, werkplaatsen en winkels volhingen met schilderijen. Uiteraard was het gros van deze grootse aantallen schilderijen gemiddeld van kwaliteit of minder.

Veel genreschilders, vrij van vaste begunstigers die zich overal mee konden bemoeien, maakten hun werk voor de eventuele koper. Dit waren voornamelijk kleine schilderijen op doek of paneel. Dit was een volstrekt nieuwe manier van kunst maken. De maker moest dan ook proberen om zijn werk op een markt of kermis te venten of te slijten via de verkoop door tussenpersonen of schilderijenhandelaren. De concurrentie was groot in de Nederlanden en de enige kans voor de kleine meesters om bekend te worden was zich te specialiseren in een bepaald gebied of genre om zo een mate van perfectie hierin te krijgen. Vaak was men ook nog eens extra gespecialiseerd in een bepaald subgenre van zijn specialisme.  Als de schilder naam had gemaakt was het vanzelfsprekend dat hij zijn specialisme trouw bleef. Deze ontwikkeling van specialisatie is eigenlijk al in de zestiende eeuw begonnen medebepaald doordat de markt voor altaarschildering in 1580 wegviel door de afscheiding van de Noordelijke Nederlanden met het katholieke Spanje, want met de komst van de  beeldvijandige calvinistische kerk viel een belangrijke traditionele opdrachtgever weg. Ook op wereldlijk gebied verschoven de behoeften, want in plaats van representatie van hof of staat lieten de burgers hun onafhankelijkheid en hun economische succes verbeelden.

Documentaire de Gouden Eeuw, aflevering 9, De prijs van de kunst:

Zie: http://goudeneeuw.ntr.nl/krant/afleveringen/#/overzicht/9/

Zie: https://www.rijksmuseum.nl/


[1] Bell, J., 2008, blz. 250

[2] Honour, H., Fleming, J., 1993, blz. 515

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s